Mijn opa en oma hebben lang de hoop gekoesterd dat ze konden blijven in Indonesië. Het was hun geboorteland, het land waar hun leven zich tot dan toe had afgespeeld. Maar al snel verslechterde de situatie, De Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) in Pladju (Palembang, Sumatra), waar mijn opa leraar was aan de technische bedrijfsopleiding en lesgaf aan Indonesische jongens, kwam op de lijst van Soekarno te staan om genationaliseerd te worden. Toen vervolgens de schoolbus op weg naar school een paar keer bekogeld werd met stenen die zo groot waren, dat ze de ruiten verbrijzelden, besloten mijn grootouders hun pijlen op Nederland te richten.

Zoals bij zoveel Indische gezinnen die in die tijd het land verlieten, werd het naderende vertrek naar Holland in het geheim voorbereid. Mijn opa had pas na vijf jaar recht op verlof naar Nederland. Terwijl zij met hun jongste twee kinderen die gelegenheid afwachtten om naar Nederland te vluchten, werden mijn vader en zijn oudere zus alvast vooruit gestuurd, zodat ze in Nederland de middelbare school konden bezoeken. En zo vertrok mijn vader in februari 1953 samen met zijn oudere zus Jane met de Johan van Oldenbarneveldt naar Nederland.

Mijn oma had haar kinderen goed willen voorbereiden op Holland, zo lees ik terug in het levensboek van mijn vader. Ze had hen op het hart gedrukt om ‘Europees te worden en het Indische achter je te laten’. Ze was als de dood dat er in Nederland, het land dat in de koloniale context waarin zij leefde immer verheerlijkt was, met minachting op haar kinderen zou worden neergekeken. Concreet vertaalde haar angst zich in het welhaast bezwerende advies om ‘nooit meer op blote voeten te lopen, voor het eten je handen te wassen en aan tafel een servet te gebruiken’. ‘En onthoud’, zo zou ze eraan hebben toegevoegd: ‘Rechts van je bord ligt het mes, links je vork. Ze eten daar nooit met een lepel. En nooit meer met je handen eten, zelfs niet je boterham!’.

Mijn vader en zijn zus maakten de bootreis naar Nederland onder begeleiding van oom Bart en tante Door, een zus van mijn opa. Onder de tonen van ‘We’ll meet again‘ maakte het schip zich los van de kade, daarna volgde een lange reis langs Singapore, Colombo (Ceylon) en Port Said. Na een tweedaagse storm overleefd te hebben in de Golf van Biskaje, kwam de boot eind februari in IJmuiden aan. Daar stapte de immigratiepolitie aan boord, die alle passagiers op alfabetische volgorde zette en begon te ondervragen. Terwijl het merendeel van hen in bussen werd geladen om naar pensions in het land vervoerd te worden, werden mijn vader en mijn tante opgehaald door tante Riet en Oom Max, een broer van mijn opa, die in Amsterdam woonden. In eerste instantie trokken mijn vader en mijn tante bij hem in, maar al snel verhuisden ze naar Haarlem, waar mijn vader in een gastgezin terechtkwam en mijn tante in een pension ‘voor meisjes uit de tropen’.

Het moet een hele omschakeling zijn geweest: van een dun katoentje naar zwaar vallende, degelijke kleding. Voor mijn vader betekende dat: onderbroeken dragen en onderhemden, een zogenaamde ‘drollenvanger’ als broek met daarboven een tot op het bovenste knoopje gesloten overhemd met soms een stropdas, daaronder lange kousen en leren schoenen. Voor mijn tante betekende het: een rok tot over de knie, een hoog gesloten bloesje met daarover een vestje, en kousen die werden vastgehouden met jarretels.

Twee jaar later kwamen mijn opa en oma met hun twee jongste dochters naar Nederland. Omdat ze in hun verloftijd vertrokken waren, konden ze weinig meenemen en waren ze op zichzelf aangewezen waar het de eerste opvang betrof. Toen na zes maanden de verlofperiode erop zat, liet mijn opa de BPM weten dat hij niet zou terugkeren naar het werk en vroeg hij een voorlopige uitkering aan bij de Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ). Bij de uitkering hoorde het toezicht van een maatschappelijk werkster. Volgens mijn vader was het ‘een magere vrouw met uitgezakte krullen, een regenjas die altijd openstond en een schooltas die ze onder haar arm geklemd hield.’ De vrouw nam haar opdracht om het gezin zo snel mogelijk te laten assimileren uiterst serieus. Wanneer mijn oma haar kasboekje overhandigde om te verantwoorden waar ze haar geld aan uitgaf, dan was het commentaar van de maatschappelijk werkster steevast: ‘Nog steeds Indisch eten? Die kruiden zijn veel te duur, dat gaat niet zo. U zult toch echt moeten wennen aan hutspot, boerenkool en andijvie; u leeft per slot van rekening in Nederland.’

Ook mijn opa’s gangen werd nauwlettend door haar nagegaan. Mijn opa had sollicitatieplicht, maar de maatschappelijk werkster liet hem weten dat hij een baan aan een technische opleiding kon vergeten, aangezien zijn diploma’s in Nederland niet geldig waren, maar dat er desondanks vast wel ‘een baantje te vinden is, dat geschikt is voor u.’ Elke week vertrok ze met de waarschuwing dat ze volgende week ‘beter nieuws’ wilde horen, waarna ze haar regenjas recht trok, haar schooltas onder haar arm klemde en met haar mannenschoenen kordaat de trap af stampte, mijn grootouders in frustratie achterlatend.

Het schijnt dat mijn opa terug wilde in die tijd. ‘Beter arm en gerespecteerd, dan een rotbaantje op een stom kantoor!’, zou hij hebben uitgeroepen. Maar tijdens de woordenwisseling die elke week volgde op het vertrek van de maatschappelijk werkster, bleef mijn oma onvermurwbaar. Zij was realistisch genoeg was om in te zien dat er voor Indische mensen zoals zij ook in Indonesië geen toekomst voor hen zou zijn. ‘We hebben geen andere keus dan hier te aarden, hoe moeilijk dat ook is’, zou ze elke discussie besloten hebben. En daar bleef het bij. Mijn opa veranderde in een norse, zwijgzame man die ik zelden heb zien lachen. Een banneling in het geboorteland van zijn vader.

Oma en opa Kopijn tijdens sinterklaasfeest, 1955

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ga naar Antara Nusa Campagne

mm

Yvette (1966) werd op Aruba geboren uit een Indische vader en een Nederlandse moeder en woont sinds haar vierde in Nederland. Als schrijver, onderzoeker en docent houdt ze zich al 20 jaar bezig met het verzamelen van levensverhalen van migrantenouderen, waaronder die van Indische Nederlanders. Delen is helen. Dat is de drijfveer waarmee ze levensverhalen zichtbaar maakt in boeken, websites en tentoonstellingen. Wanneer we mensen uitnodigen hun levensverhaal te delen, dan ontstaat er ruimte voor heling en verzoening, vertellers alsnog erkenning vinden voor ervaringen die al te lang genegeerd zijn.
In het verleden werkte Yvette onder andere bij Imagine Identity and Culture in Amsterdam Zuidoost en bij het Indisch Huis in Den Haag. Momenteel werkt zij vanuit haar eigen stichting Zieraad (.https://zieraad.wordpress.com/) aan diverse projecten die te maken hebben met het dekoloniseren van geschiedenis. Zo heeft Zieraad samen met Dana Saxon het lesprogramma Ancestors unKnown Nederland ontwikkeld, dat leerlingen aanmoedigt om op zoek te gaan naar hun voorouders en familiegeschiedenis. Op deze manier krijgen kinderen toegang tot onderbelichte geschiedenissen en hebben ze een belangrijke tool in handen om hun identiteit op een positieve manier te versterken.

Facebook Comments

Tagged with: , , , ,