Trees houdt van bloemen – dat heeft ze altijd gedaan. Het is haar manier om tegenwicht te bieden tegen al wat niet fijn en mooi is in het leven. In het interview zegt ze daarover:

Ik ben altijd een blij kind geweest. Ik was voortdurend in de weer met bloemen. Dan had ik bij Oma De Nijs zaadjes geplukt van haar bloemen en die nam ik dan mee naar het ziekenhuis van mijn vader om daar te zaaien. Ik wist dat ik daar niet mocht komen, omdat daar mensen verbleven met psychiatrische problemen en met dysenterie die in quarantaine lagen. Maar ik vond het zielig en wilde de patiënten opvrolijken‘.

Trees Stroop De Nijs werd in 1931 in Kertapati, nabij Palembang (Sumatra). Haar vader was arts en psychiater en stond aan het hoofd van het gouvernementsziekenhuis in Sitibondo: een ziekenhuis voor met name Inlandse patiënten, waar hij terechtkwam omdat hij als Indo niet in Nederland had kunnen studeren. Trees maakte veel mee in haar leven, maar toch noemt ze zichzelf een gelukskind: 

Als ik verdrietig ben, dan ga ik terug naar de mooie momenten in mijn jeugd en dan zeg ik tegen mezelf: ”Trees, je bent altijd omhelsd door de mensen om je heen. Je bent een echt gelukskind.” En dat klopt, want ik ben op een zaterdag geboren en dat brengt geluk, zeggen ze.’

En een gelukskind mag ze zichzelf zeker noemen! Toen tijdens de oorlog het ouderlijk gezin uiteen viel, bracht haar vader Trees onder de hoede van de katholieke familie De Nijs, waar haar Indo-Chinese oma de scepter zwaaide, terwijl haar broer Piet achterbleef bij zijn moeder, die in Soerabaja introk bij haar eigen familie: de minder bedeelde familie Kneefel. Daar moest hij, zelf nog maar een kind, de plek van zijn vader innemen.

Toen Trees en Piet na de oorlog door hun vader werden ondergebracht bij twee van zijn zusters die inmiddels in Dordrecht woonden, was het Trees die zich als meisje moeiteloos in kon voegen in het vrouwelijke huishouden, terwijl broer Piet, die inmiddels de puberteit bereikt had, er opstandig van werd, waarna hij heen werd gezonden naar een internaat. Kort daarna keerde haar vader terug naar Indië/Indonesië om zijn werk als arts weer op te pakken en opnieuw te trouwen, maar niet zonder geld achter te laten voor Trees om een verpleegstersopleiding te volgen. Trees genoot ervan om verpleegster te zijn – eerst in Nederland en later op Curaçao, waar zij werkte in het ziekenhuis van de Franciscanessen. En zo was het geluk altijd aan haar kant:

Het was een hele leuke tijd. Ik kreeg nieuwe vriendinnen. Als onze dienst erop zat, plukten we vaak stiekem bloemen bij mensen uit de tuin. Dan zagen we een mooie lelietjes-van-dalen en dan zei mijn vriendin: “O, ze zijn prachtig!…. Maar ze blijven daar niet staan….” En dan pakte ik mijn schaartje en knipte ik ze af, om ze even later uit te delen aan de patiënten in het ziekenhuis‘. 

Bloemen zijn een constante in het leven van Trees. Met bloemen bezweert ze gevoelens van trauma, verlies en ontworteling, maar drukt ze tegelijkertijd ook haar eigenheid uit, die ze als het moet met hand en tand verdedigt:

Nederlanders hebben hun eigen verhalen en daar kunnen wij niet in mee – en andersom geldt dat ook. De mensen leven gecompliceerd hier, het is altijd: “Ik kan alleen dan en dan komen, eerder heb ik geen tijd.” Of: “Het feest duurt tot zo laat, daarna is het afgelopen en moet je naar huis.” Mijn buurvrouw kan zich vreselijk storen aan mijn bloembakken. Toen ze tijdelijk weggehaald werden, hoorde ik haar al uitroepen: “Wat een verbetering, het ziet er keurig uit zo!” Ik ben direct naar haar toegegaan en heb gezegd: “Die bloemen komen terug!”’   

 

Ga naar Antara Nusa Campagne

Facebook Comments

Tagged with: , , ,