Mijn vader is een telg van de zogenaamde anderhalf generatie: de generatie die nog in Indië geboren is en als kind de (noodgedwongen) migratie naar Nederland meemaakte. Mijn vader werd op po 1 november 1939 geboren in Soerabaja, een paar jaar voordat de Japanners Indië zouden bezetten en diep zouden ingrijpen in het alledaags leven. Maar op deze foto, de oudste die er van mijn vader bestaat, is het nog niet zover. Mijn vader is zojuist geboren en wordt liefdevol in de gaten gehouden door zijn oudere zus Jane (ook wel Puck genoemd). Een prachtig moment van verstild geluk. Mijn grootouders moeten blij met hem geweest zijn. Nu was er naast een meisje ook een jongen geboren. Het zou hun enige zoon blijven. Na mijn vader werden er nog twee meisjes geboren: Ruth die vlak voor het uitbreken van de oorlog geboren werd en Ingrid (ook wel Ineke genoemd), die pas na de oorlog geboren zou worden.

Voor mijn vader begon de oorlog al eind 1941. Terwijl mijn oma naar familie in Lawang was afgereisd om te bevallen van tante Ruth, werd mijn opa teruggeroepen naar de marinebasis in Soerabaja, waar hij werkzaam was. Het was bekend geworden dat de Japanners in aantocht waren en aangezien mijn opa alle kennis bezat over de elektrische systemen die op de marineboten en onderzeeërs gebruikt werden, moest hij zo snel mogelijk weg. Hij werd in eerste instantie overgebracht naar Singapore, maar zou uiteindelijk in Zuid-Afrika de oorlog doorbrengen. Hij liet een brief met drie maandsalarissen voor mijn oma achter bij zijn zwager, oom John, en vertrok.

Vanaf dat moment stond mijn oma er alleen voor. Omdat zij kon aantonen dat ze een Indonesische grootmoeder had, bracht ze de oorlog buiten het kamp door. In eerste instantie trok samen met haar kinderen in bij oom John en tante An. Maar toen oom John geïnterneerd werd, verhuisden ze naar Darmo: een zogenaamde ‘beschermde wijk’ die onder toezicht van de Japanners stond. Daar woonden ze samen in een huis met vier moeders, elf kinderen en één gelovige oma – vaders waren er niet .

Er is tot nu toe relatief weinig aandacht voor geweest, maar voor buitenkampers als mijn oma en haar kinderen kwam de moeilijkste periode pas nadat de Japanners zich op 15 augustus 1945 hadden overgegeven. In de maanden vlak na de Japanse capitulatie brak de Bersiap uit: een periode waarin pemoeda’s (Indonesische onafhankelijkheidsstrijders) en peloppers (bendes criminele jongeren) probeerden af te rekenen met een ieder die Hollands was of met hen had samengewerkt.

Terwijl Britse troepen een deel van de Hollandse vrouwen en kinderen in Darmo op 10 november 1945 uitgeleide deden naar de haven van Soerabaja om ze te evacueren naar Singapore, werden mijn Indische oma en haar kinderen op 24 november door Indonesische soldaten opgepakt en in overvolle treinwagons overgebracht naar Brangkal: een Republikeins (lees: Indonesisch) kamp. Behalve wat rijst was er niets te eten, er heerste een voortdurend gebrek aan eten en drinkwater en de sanitaire omstandigheden waren erbarmelijk. Na overplaatsing naar het overvolle kamp Soemobito, eveneens een Republikeins kamp,, maakte mijn vader mee hoe zijn moeder voor zijn  ogen zwaar mishandeld werd nadat ze gepakt was met kawatten (ruilen van kleding tegen eten aan het hek), zag hij zijn vriendinnetje Vonnie sterven van de honger en verloor hij bijna zijn oudste zus Jane, die naast hongeroedeem getroffen door dysenterie. Een injectie met het felbegeerde medicijn, waar mijn oma dagen om had moeten smeken – ze hadden haar al opgegeven – redde haar ternauwernood van de dood.

Op 13 juni 1946 werden mijn vader, mijn tantes en mijn oma door Hollandse soldaten uit het kamp bevrijd en per vliegtuig overgebracht naar Semarang. Van daaruit vertrokken ze in een overvol tankschip naar Soerabaja, waar mijn opa, die inmiddels uit uit Zuid-Afrika was teruggekeerd, hen op de kade stond op te wachten.

Ook na die gezinshereniging was er van rust voorlopig geen sprake. De dekolonisatieoorlog brak los, met alle gewelddadigheden van dien. Pas toen het gezin in 1949 naar Pladju (Sumatra) verhuisde, ervoer mijn vader voor het eerst iets van veiligheid, geborgenheid en rust. Een gevoel dat al snel verstoord werd, doordat er opnieuw verhuisd moest worden. Dit keer naar het voor mijn vader onbekende Nederland. Begin 1953 liet hij zich samen met zijn oudste zus inschepen op de Johan van Oldenbarneveldt , het volgende ongewisse tegemoet. Een jongen van dertien jaar die in één klap zijn jeugd verloor.

Ik heb enorm veel respect voor mijn vader, dat hij zich zo goed door een kindertijd geslagen heeft die bol staat van onveiligheid, ontheemding en ontworteling. Zijn overlevingskunst bracht hij over op mij. Mijn vader nam ons elke vakantie mee uit kamperen en leerde ons hoe je je op een paar vierkante meter senang kunt voelen. Een kunst die ik nog altijd met mij meedraag. Ik ben een ‘light traveler’, die het leven leeft zonder ballast van al teveel materie. En voortdurend bezig is om mijn nest te bouwen met de weinige spullen die ik heb – het liefst in kleine, knusse ruimtes, waar alles binnen handbereik ligt. Bijna mijn oma nabootsend in het kamp.

In het levensboek dat mijn vader een aantal jaren geleden uitgaf, schreef hij een opdracht voor mij: ‘alles is goed gekomen. Uiteindelijk.’ Het welhaast bezwerende optimisme, de weigering om slachtoffer te zijn: ook daar herken ik mezelf in, ik draag het allemaal met mij mee.

Ga naar Antara Nusa Campagne

mm

Yvette (1966) werd op Aruba geboren uit een Indische vader en een Nederlandse moeder en woont sinds haar vierde in Nederland. Als schrijver, onderzoeker en docent houdt ze zich al 20 jaar bezig met het verzamelen van levensverhalen van migrantenouderen, waaronder die van Indische Nederlanders. Delen is helen. Dat is de drijfveer waarmee ze levensverhalen zichtbaar maakt in boeken, websites en tentoonstellingen. Wanneer we mensen uitnodigen hun levensverhaal te delen, dan ontstaat er ruimte voor heling en verzoening, vertellers alsnog erkenning vinden voor ervaringen die al te lang genegeerd zijn.
In het verleden werkte Yvette onder andere bij Imagine Identity and Culture in Amsterdam Zuidoost en bij het Indisch Huis in Den Haag. Momenteel werkt zij vanuit haar eigen stichting Zieraad (.https://zieraad.wordpress.com/) aan diverse projecten die te maken hebben met het dekoloniseren van geschiedenis. Zo heeft Zieraad samen met Dana Saxon het lesprogramma Ancestors unKnown Nederland ontwikkeld, dat leerlingen aanmoedigt om op zoek te gaan naar hun voorouders en familiegeschiedenis. Op deze manier krijgen kinderen toegang tot onderbelichte geschiedenissen en hebben ze een belangrijke tool in handen om hun identiteit op een positieve manier te versterken.

Facebook Comments

Tagged with: , , , ,