Enige tijd geleden bezocht ik Loek van Maanen, geboren in 1929 in Kota Radja (thans Banda Atjeh). Ze is de oudste verteller uit het boek.

Het was alweer ruim een jaar geleden dat ik voor het eerst bij haar langskwam om kennis te maken en het interview te plannen. Sindsdien voel ik met Loek een speciale band – niet alleen omdat ze zo lief is, maar ook omdat ze, net als ik, vanwege haar blanke gelaat niet altijd als een Indische (h)erkend wordt.

Toch heeft Loek een Molukse moeder en een Nederlandse vader en dat maakt haar misschien wel zo mooi – nog altijd. Wanneer we naast elkaar op de bank gezeten door oude fotoalbums bladeren op zoek naar foto’s voor het boek, vind ik deze foto terug.

We zien er Loek samen met haar Indonesische pleegzusje Maria aan de reling staan, aan boord van de Sibajak, de boot die haar naar Nederland zou brengen. Haar Indische schoonheid, vastgelegd ergens op die eindeloze, eindeloze zee maakt het ongewisse van het verstilde moment opeens heel tastbaar.

Het moment waarop de blijdschap om nu eindelijk in veilig gebied te zijn, ver weg van oorlog en geweld, nog gevoeld moet worden – net als het gevoel van ontworteling dat haar in Nederland zal bekruipen, wanneer er in het contractpension in het Veluwse Rhenen van haar verwacht wordt dat zij haar Indische vrouwelijkheid in toom houdt met lange rokken, hoog gesloten bloesjes en kriebelende panty kousen.

Dan kijk ik van de foto naar haar handen: getekend door de tijd, maar tegelijkertijd zo mooi. We bladeren verder, Loek vertelt en ik luister. Totdat het tijd is om naar huis te gaan. ‘Het was een fijne middag, het heeft me goed gedaan’, zegt ze bij het afscheid. ‘Het heeft ons beiden goed gedaan’, vul ik haar aan, ‘Ik kom snel weer langs.’ Er volgen drie hartelijke zoenen en ik verlaat haar Amsterdamse woning. Een vriendschap is geboren.

Ga naar Antara Nusa Campagne

Facebook Comments

Tagged with: , , , ,