In 1955 kwamen mijn opa en oma naar Nederland. Niet omdat ze Indië/Indonesië zo graag wilden verlaten, maar eerder omdat het besef was doorgedrongen dat er in hun geboorteland geen toekomst meer voor hen was. In Nederland waren de diploma’s van mijn opa niet geldig, dus volgde er na aankomst een lange zoektocht naar werk. Mijn opa vond uiteindelijk een baan bij de plaatselijke busmaatschappij NZH, waar hij als technisch tekenaar aan de slag ging. Na het pension volgde een bovenwoning aan de Amsterdamse Vaart, waar zij introkken toen het gezin dat er woonde naar Canada vertrok. Er werden kostjongens in huis gehaald, precies zoals mijn overgrootvader mijn opa indertijd in huis had gehaald.

Toko Commandeur in Haarlem

Hoe ging het met Indisch koken in die tijd? En waar haalde mijn oma haar kruiden en ingrediënten vandaan? Ik denk dat ze de eerste twee jaar vooral veel geimproviseerd heeft, totdat in 1957 de eerste toko in Haarlem haar deuren opende aan de Gedempte Oude Gracht: Toko Commandeur. Mijn oma zou er vaste klant blijven – ook nadat ze midden jaren zestig verhuisde naar een zojuist opgeleverde flat in Schalkwijk.

In Schalkwijk beleefden mijn opa en oma hun gouden jaren. De woning was licht, ruim, er was centrale verwarming en zelfs een badkamer. Het contact met de buren werd met de kookkunsten van mijn oma goed onderhouden. Elke woensdag kookte ze voor het hele portiek. Indisch eten was nieuw voor hen, maar al snel werd er elke woensdag uitgekeken naar het eten van mijn oma.

Toen mijn opa en oma nog ouder werden, en het hen teveel werd om de grote flat te onderhouden, verhuisden ze naar een piepkleine woning in Santpoort-Noord, vlakbij waar ik nu zelf woon. De woning bestond uit een woon- en slaapkamer van ieder negen vierkante meter, met een nog kleinere keuken en een grote tuin.

Mijn opa hield van een vast ritme in de dag en in de week. Die rust en regelmaat had hij waarschijnlijk van zijn vader meegekregen – een militair die diende in het KNIL – of in het Pa van der Steur kindertehuis, waarin hij na de dood van zijn vader terechtkwam. Voor alles had mijn opa een vaste tijd. ‘s Ochtends stond hij om zes uur op. Terwijl mijn oma in bed mocht blijven, deed hij de afwas en gaf de poezen eten – zes in totaal, omdat mijn oma de gave had om buurpoezen naar haar huis te lokken en ze daar te laten nestelen. Wanneer dat gedaan was, bracht hij mijn oma een ontbijtje op bed en daarna kon de dag beginnen.

Op vrijdag hoefde mijn oma niet te koken. Elke week pakten ze op het hetzelfde uur dezelfde bus naar Haarlem-centrum, waar ze uitstapten bij dezelfde halte om Toko Lien te bezoeken, hun favoriete toko nadat Toko Commandeur haar deuren had gesloten. Bij Toko Lien bestelden ze elke week precies dezelfde gerechten, dronken ze op precies hetzelfde tijdstip hun kopi toebroek , om vervolgens dezelfde bus terug naar huis te nemen.

Op een van hun bezoekjes aan Toko Lien zijn mijn opa en oma ooit gefotografeerd door een student van de fotoacademie bij Toko Lien om de hoek. De student had de opdracht gekregen om een markant persoon van de straat te plukken en voor de camera te laten poseren. Mijn opa en oma hadden in hun goedwillendheid de opdracht aanvaard en de foto nadien aan mij gegeven. Wanneer ik door de ogen van de student naar mijn opa en oma kijk, dan snap ik waarom zij hen uitkoos om te fotograferen. Op de foto zien we mijn opa zonder winterjas, maar met colbert, coltrui, bontmuts en een paraplu. Mijn oma heeft haar zomerjas aan met hopelijk een vest eronder tegen de ergste kou, ze draagt zomerschoenen en heeft op haar hoofd een kek regenmutsje. Het was een tijd waarin mijn opa vond dat ze zo oud waren, dat winterkleding aanschaffen niet meer nodig was. Ze zouden er weldra toch niet meer zijn en kwamen bovendien amper meer buiten, dus besteedde hij het geld liever aan andere zaken.

Uiteindelijk zou het zo’n vaart niet lopen. Pas toen ze beide de 85 gepasseerd waren, sloeg het noodlot toe. Mijn oma werd steeds vergeetachtiger en brak tegelijkertijd haar heup bij een val. Toen ik haar in het ziekenhuis kwam opzoeken, trof ik haar geheel ontredderd aan. Ze zei: ‘Nu ben ik alles kwijt: mijn man, mijn katten, mijn huis, maar het ergste van al: mijn geheugen.’ Het was hartverscheurend om te zien hoe ze zich ervan bewust was dat het leven haar tussen de vingers glipte. Uiteindelijk zou ze vlak na mijn opa komen te overlijden in een verzorgingstehuis in IJmuiden na 71 jaar samen te zijn geweest met mijn opa, waarvan bijna 63 jaar getrouwd.

Mijn oma en opa zijn allang niet meer. We zijn inmiddels bijna 20 jaar verder. Met hen stierf een generatie, die Indië nog gekend heeft, die de lijfelijke ervaring heeft gehad met het land dat niet meer is. Mijn eigen Marokkaans-Nederlands-Indische kinderen kunnen zich moeilijk voorstellen wat Indisch is en komen vaak niet verder dan dat heerlijke eten waarop opa hen trakteert bij de plaatselijke warong of die paar Indische gerechten die mama voor hen bereidt. Nu ik de vijftig gepasseerd ben, dringt steeds vaker de vraag aan mij op hoe het Indische vorm te geven en over te dragen op mijn kinderen. Een zoektocht waarvan het einde voorlopig nog niet in zicht is.

Mijn oma en opa tijdens hun 60-jarig jubileum, 1996

Ga naar Antara Nusa Campagne

 

Facebook Comments

Tagged with: , , , ,