Vandaag is een beladen dag. Het is niet alleen de dag dat koningin Wilhelmina de oorlog verklaarde aan Japan, nadat deze een dag tevoren de aanval had geopend op Pearl Harbor. Het is ook de dag dat mij vorig jaar het nieuws bereikte dat mijn peettante Jane, wiens naam ik als mijn tweede naam draag, was heen gegaan. Ze is de eerste van haar generatie die niet meer onder ons is.

Tante Jane, gisteren schreef ik al even over haar. Als eerstgeborene had ze een speciaal plekje in het hart van mijn grootouders – vooral in dat van mijn opa. Geboren op 14 oktober 1937 in Soerabaja maakte ze de oorlog mee, overleefde ze ternauwernood het Bersiap kamp en kwam ze samen met mijn vader als 15-jarig meisje naar Nederland. Tijdens haar leven heb ik haar twee keer geïnterviewd en werd het me duidelijk dat mijn tante ook zoveel jaar na dato moeite had om Nederland als haar thuis te zien. Zoals zoveel vrouwen van haar generatie, werd het haar behoorlijk moeilijk gemaakt om in Nederland te wortelen. Zo was het bijvoorbeeld vanzelfsprekend dat mijn tante naar de huishoudschool ging hier in Nederland, terwijl mijn vader weliswaar advies gymnasium kreeg en uiteindelijk naar de HBS werd gestuurd, maar toch via zijn middelbare schooltijd de kans kreeg om zijn lot in eigen hand te nemen en aan zijn eigen toekomst te bouwen.

Die kans kreeg mijn tante niet. Omdat de verwachting was dat mijn tante toch zou trouwen en kinderen krijgen, was meer dan huishoudschool niet nodig voor haar, zo vond de school en zo vonden ook mijn grootouders. Op de huishoudschool leerde mijn tante een Hollandse pot koken en het huishouden met Hollandse efficientie te bestieren, wat meteen een goede voorbereiding was op een leven met een Hollandse partner.  Om mijn tante en haar zussen aan de man te helpen, nam mijn oma kostjongens in huis, net zoals haar vader indertijd mijn grootvader in huis had genomen. Mijn tante trouwde een van de kostjongens en samen stichtten ze een eigen gezin. Trouwen met een Hollandse jongen betekende je nog meer moeten aanpassen aan de Nederlandse manier van leven – en dan ook nog eens in het Zeeuwse Brielle, ver weg van familie. Het zou geen gelukkig huwelijk worden.

Toen ik mijn tante meer dan tien jaar geleden interviewde voor het oral history project ‘Haar Geschiedenis’, een website met levensverhalen van migrantenvrouwen geïnitieerd door het vrouwenarchief dat tegenwoordig Atria heet, zei ze het volgende over haar band met Nederland:

‘Toen ik in 1953 met de Van Oldenbarneveldt naar Nederland kwam, had ik 28 dagen de tijd om me te realiseren dat ik in één keer alles kwijt was: mijn land, mijn liefde, mijn jeugd. In Nederland kwam ik terecht in een ‘pension voor meisjes uit de koloniën’, gerund door twee ongetrouwde zussen die streng katholiek waren. Terwijl mijn ouders mij altijd zelf hadden laten bepalen wat goed en slecht voor me was, werd in dat pension ineens alles voor mij bepaald. Het was iedere avond bidden voor het eten, één keer per maand biechten en dan ook nog naar de Maria Congregatie, waar mij geleerd werd hoe ik mij als katholiek meisje had te gedragen. Ik mocht niet zijn wie ik was, ik wérd gevormd. Tijd om te dromen over mijn toekomst had ik  niet, want ik was constant in gevecht om mezelf te blijven. Natuurlijk is er sinds die tijd veel veranderd in Nederland, maar nog steeds voelt dit land benauwend aan. Ik heb me hier nooit thuis gevoeld.’

Lieve tante Jane, het is nog steeds moeilijk voor mij om te accepteren dat ik geen kans heb gehad om afscheid van u te nemen. U was hele speciale tante voor mij; u was mijn peettante, met wie ik een hele bijzondere band had. Vandaag denk ik aan u en brand ik een kaarsje voor uw zielenrust. U bent en blijft in mijn gedachten!

Tante Jane, vlak na aankomst in Nederland (Marken, 1953)
Ga naar Antara Nusa Campagne

 

Facebook Comments