Enkele dagen geleden schreef ik over een prachtige familiefoto die we in ons familiebezit hebben van de familie Franken, de familie van mijn Indische oma. Een dergelijke foto van de familie van mijn Indische opa is er niet.

En dat heeft alles met klasse te maken. Waar mijn oma’s familie welgesteld was, was die van mijn opa dat niet. Mijn opa was de zoon van Jan Lieuwe Kopijn (1883-1924) en Geertruida Mathilda Peeters (1889-1968), beter bekend als oma Trui. Jan Lieuwe Kopijn was geboren in West-Friesland en i n 1902 als jongeman naar de Oost vertrokken,. Daar kwam hij te werken als sigarenmaker, maar al snel meldde trad hij toe tot het KNIL.

Als beroepsmilitair werd hij ingezet om (dreigende) opstanden tegen het Nederlandse koloniale bewind neer te slaan. Omdat het gewone soldaten niet was toegestaan om te trouwen, moest mijn overgrootvader eerst opklimmen tot sergeant eer hij mocht trouwen met oma Trui: een armlastig Indisch meisje dat in haar eentje de winkel van haar vader runde, omdat hij na de dood van zijn vrouw aan de drank was geraakt. Ze trouwden, waarna oma Trui acht kinderen op de wereld zette: zes zoons en twee dochters, waarvan mijn opa de eerstgeborene was. Het soldatenleven was hard en Spartaans. Rondtrekkend van kampement naar kampement werd elk kind op een andere plek geboren. Mijn opa groeide op zonder school, kreeg les van zijn moeder uit schoolboeken die in een leskist werden bewaard en meereisden met het leger. De rest van de dag liep hij op blote voeten rond en speelde met wat er voorhanden was. Wanneer het etenstijd was, liet mijn overgrootvader de kinderen staand hun bord leeg eten. En deed je iets fout of haalde je kattenkwaad uit – iets waar mijn opa zich veelvuldig schuldig aan maakte – dan was hij er, zo liet hij mij vaak in onvervalst Indisch accent weten, ‘met de karrrwats verrrrdomd snel bij!’

Toen mijn opa een jaar of tien was, streek het gezin uiteindelijk neer op de marinebasis van Tandjong Priok in Batavia. Twee jaar later, we schrijven 1924, overleed mijn overgrootvader op 42-jarige leeftijd. Een gebeurtenis die diep ingreep in de familie. Oma Trui kwam zonder inkomen te zitten en was nauwelijks in staat om haar kinderen te voeden en te verzorgen.

Omdat het in de kolonie geen pas gaf om blonde, blauwogige Indische kinderen verpauperd rond te laten lopen, besloot de legerleiding in te grijpen. Ze namen oma Trui al haar kinderen af en stopten hen in kindertehuizen. Mijn opa en enkele van zijn broers kwamen terecht in het Pa van der Steur tehuis in Magelang; haar jongste zoon eindigde in het Vincentius kindertehuis in Batavia, zo liet zijn zoon, oom Max, mij weten.

Hoe moet het voor oma Trui zijn geweest om al haar kinderen aan het kindertehuis te moeten afstaan? Hoe moet het voor de kinderen zijn geweest om in korte tijd niet alleen hun vader, maar ook hun moeder te verliezen? En wat gebeurde er nadien met oma Trui? Terwijl de meeste van haar kinderen in de jaren vijftig naar Nederland trokken, woonde oma Trui in bij haar zoon Juud en diens vrouw Adeline, die warga negara waren geworden en voor de Indonesische nationaliteit hadden gekozen. Nadien had hij ingezien dat hij als Indische Nederlander weinig toekomst zou hebben in Indonesië en dus gaf hij mijn vader twee brieven mee toen deze in 1953 naar Nederland vertrok: één request voor zijn broer Arie en één voor zichzelf om de Nederlandse staat te verzoeken het Indonesisch staatsburgerschap te verruilen voor het Nederlandse en vervolgens te vertrekken richting Nederland. In Nederland diende gaf mijn vader de twee requesten af aan oom Max, een zoon van oma Trui die al in Nederland woonde, en lukte het wonderwel om hun verzoek ingewilligd te zien. Oom Juud en zijn vrouw vertrokken naar Nederland en dus moest oma Trui mee. Daar sleet ze haar oude dag in een bejaardentehuis in Ewijk.

Mijn vader heeft nooit veel contact met oma Trui gehad, zo heeft hij mij verteld. Al stuurde de ze elke verjaardag een naar parfum ruikende kaart met bloemen, hij zou haar voor het eerst in levende lijve zien toen hij bij oom Juud in Jakarta de boot naar Nederland afwachtte. Het verklaart waarom oma Trui zo weinig voorkomt in familieverhalen.

Des te specialer vind ik het dat ik een tastbare herinnering aan oma Trui in mijn bezit heb. Het is het geboortekaartje dat zij op 17 oktober 1966, zeven dagen na mijn geboorte, schreef aan mijn ouders, die in die tijd op Aruba woonden. Op het kaartje met bloemen, het handelsmerk van oma Trui  weet ik nu, wenst ze dat ‘de kleine tot een lief, degelijk katholiek meisje op moge groeien’ en klaagt ze verder over reumatische pijnen in armen en benen. De eenzaamheid is tussen de regels door te lezen

Uiteindelijk zou oma Trui in 1968 in Ewijk komen te overlijden, ver weg van haar geboortegrond. Volgens mijn vader zou ze zich in Nederland nooit thuis hebben gevoeld. ‘Een oude boom moet je niet verplanten’, zou ze erover gezegd hebben. Maar ze werd toch overgeplant en stierf in een haar onbekend land.

Vanavond brand ik een kaarsje voor oma Trui. Ik ben dan wel niet katholiek gebleven, maar acht het desondanks een gepast ritueel om mijn overgrootmoeder te eren en te gedenken. Dat het haar zielenrust mag brengen.

Facebook Comments

Tagged with: , , , ,