Gisteren was ik samen met een afvaardiging van Nusantara Amsterdam aanwezig bij het 70-jarig jubileum van Pelita: een organisatie voor mensen uit de Indisch/Molukse gemeenschap die kampen met trauma’s opgelopen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap.

Nou ja, samen … in mijn haast heb ik op de uitnodiging de aanwijzingen naar de parkeerplaats gevolgd, waardoor ik uitkom bij de Schouwburg in plaats van Theater Dilligentia.

Dik een kwartier te laat kom ik aan. Aan djam karet (elastieke tijd) wordt deze middag niet gedaan, zo blijkt bij binnenkomst. Maar gelukkig tref ik een vriendelijke medewerkster van Pelita, die mij rustig mijn jas laat uittrekken en me daarna begeleidt naar een pikdonker balkon, waar ik uiteindelijk een zitplaats vind naast een oude meneer van in de tachtig met Nike sneakers en een baseball pet.

Terwijl de film draait die journalist Rocky Tuhutera speciaal voor dit jubileum maakte over het werk van Pelita en hun cliënten, zie ik vanuit mijn ooghoeken de meneer naast mij steels naar mij kijken.

Wanneer de film is afgelopen was en er applaus klinkt, buigt hij zich naar mij voorover en vraagt: ‘Waar komt u vandaan?”Uit Haarlem’, zeg ik ‘Lekker dichtbij,’ antwoordt hij, ‘Ik kom helemaal uit Nijmegen. Ik ben heel vroeg opgestaan vanochtend om hier op tijd te zijn.’

Het programma gaat verder. Hans Goedkoop, die vandaag als gespreksleider optreedt, roept Reggie Baay, Sylvia Pesseriron, Adriaan van Dis en Herman Keppy op het toneel, waarna zich een mooi en open gesprek ontvouwt over de doorwerking van oorlogstrauma’s in Indisch/Molukse gezinnen.

Wanneer Herman Keppy begint over de ‘lel’ met vlakke hand, die zijn vader in Indie had opgedaan en in Nederland toepaste op zijn kinderen, is er direct herkenning bij Adriaan van Dis. Er klinkt gelach uit de zaal wanneer de laatste het Indische accent van zijn vader imiteert, terwijl hij voordoet waar precies op zijn gezicht die vlakke hand terecht kwam. Zo doen wij dat klaarblijkelijk: wij lachen onze pijn weg.

Even een muzikaal intermezzo dan maar, om de pijnlijke ondertoon in het gesprek alsnog te laten binnenkomen en vervolgens te laten wegebben. Wanneer Julia Lo’ko loepzuiver invalt met een prachtig lied over haar geliefde Maluku, hoor ik de meneer naast mij zachtjes mee neuriën.

Hij herkent het lied, het geneurie gaat langzaam over in een voorzichtig meezingen. Dan draait hij zich opeens weer naar me toe en vraagt: ‘Waar komen jouw ouders vandaan? ‘Mijn vader komt uit Soerabaja, meneer.”Ik kom uit Djakarta’, antwoordt hij, ‘Maar ben in Tjeribon geboren.

Het is even stil.

‘En in welk kamp heeft jouw vader gezeten?”Eerst in Brankal en later in Somobito’, antwoord ik, ‘Dat was in de Bersiap tijd, dus na de Japanse capitulatie’. Hij maakt de rugtas open die hij al die tijd met beide handen stevig omklemd heeft gehouden.

Hij pakt er een fles met sap uit en neemt een paar ferme slokken. Dan zegt hij: ‘Ik heb in kamp Tjimahi gezeten. Ik heb vier mensen voor mijn ogen afgemaakt zien worden door de Jap.’ De fles gaat weer terug de tas in en we doen er weer het zwijgen toe. Zijn woorden galmen na in mijn hoofd.

Dan is het programma afgelopen. We geven elkaar een hand en lopen de zaal uit, waarna hij zich direct op de hapjes stort en ik hem in de drukte al snel uit het oog verlies. Ik begeef me naar de foyer beneden die inmiddels volstroomt met mensen.

Twee Indonesische zangeressen zetten de muziek in en er wordt gedronken, gegeten en voorzichtig gedanst. Plots kijk ik in het prachtige gelaat van een oudere man. ‘Ik ben op Timor geboren’, zegt hij ter kennismaking. ‘Mijn vader was daar als Molukse KNIL militair gestationeerd en trouwde er mijn moeder: een Portugese’. Ik hang aan zijn lippen. ‘In 1951 kwamen wij naar Nederland, samen met alle andere Molukse en Timorese KNIL-gezinnen.

Wij kwamen terecht in Den Haag, waar ik de jaren zestig meemaakte. God, wat hebben wij genoten! Indo rock, de Tielman Brothers, de Indische Barry Hay van de Golden Earrings die toen al volop muziek aan het maken was hier in Den Haag … en dan de vrouwen natuurlijk, een gouden tijd hoor!’

Wat een middag! In al die markante Indische en Molukse gezichten vond ik sporen van trauma en ontworteling, maar ook van veerkracht en overlevingskunst. Laten we zoveel mogelijk luisteren naar hun verhalen – voordat het te laat is, zo benadrukte ook directeur Harriet Ferdinandus.

Niet alleen omdat hun verhalen voor jongere generaties vaak de enige draad vormen waarlangs zij zich met hun Indisch/Molukse wortels in contact kunnen komen, maar ook omdat het heling brengt en (h)erkenning voor al te lang weggestopte en genegeerde (traumatische) ervaringen. Werk aan de winkel dus, voor een ieder met een hart voor Indisch/Molukse ouderen!

Ga naar Antara Nusa Campagne

 

 

Facebook Comments

Tagged with: , , ,